shutterstock_232217173_edited_edited.jpg

geschiedenis

OORSPRONG EN GESCHIEDENIS KARATE-DO 

 

Algemeen 

Budo en Bujutsu zijn Japanse begrippen afkomstig uit een cultuur die tot 1868 bepaald werd door de martiale tradities, invloe­den, gewoonten en heldendaden der Bushi/Buke kaste (Japanse adel). Het zijn verzamelnamen voor een aantal trainingsvormen die met de eerste lettergreep de aard of de kenmerkende technieken ervan aanduiden en die met de tweede lettergreep aangeven dat het gaat om een Do- of Jutsu-vorm. We onderscheiden namelijk Bujutsu en Budo.

In het Engels komt men beide begrippen tegen als: martial art en martial way. Het Budo komt uit het Bujutsu voort en hoewel het veelal de technieken gemeen heeft, verschilt het toch zoveel van het Bujutsu dat het zich tot een eigen vorm heeft kunnen ontwikkelen. De meest bekende vormen zijn, Bujutsu: jujutsu - kenjutsu - iaijutsu Budo: judo - kendo - iaido. Ter verduidelijking nog: bu = krijg - jutsu = kunst - do = (de spirituele) weg.

Door de lange periode van vrede en binnenlandse stabiliteit gedurende de zogenaamde Edo-periode (1603-1867), afge­dwongen door de machtige Tokugawa Shoguns, ontstond er in Japan een tijdperk van geweld­dadige rust. De kaste der bushi (adellijke krijgers) werden door allerlei verplichtingen in hun zelfstandigheid gekortwiekt. Door de intensivering van het hofleven ontstond er op het gebied van de waardering van de eigen vaardigheid en deugden der bushi een toenemende accentver­schuiving van de praktische naar de meer spirituele kant. Bovendien gingen de bushi conform hun voorgeschreven ethische en filosofische gedragsregels (Bushido) en uit noodzaak zich weerbaar te moeten houden, daar door de isolationistische politiek der shoguns alle contacten met andere landen ontbraken, hun dagelijkse training in zelf- (lees groeps-) protectie meer en meer zien als een individuele verplichting. Een verplichting ten aanzien van zichzelf en meer gericht op zelfperfectie. De techniek wordt middel.

 

Geholpen door Zen-boedhistische monniken, die enerzijds de bushi klasse van ideale achtergronden voorzagen en anderzijds de spartaanse en stoïcijnse trainingsmethoden der bushi gebruikten voor hun eigen geestelijke ontwikkeling, krijgt de mentale kant van de training de overhand en het accent komt te liggen op de vormende waarde die de oefeningen voor de beoefenaar hebben. Er is een vorm ont­staan die we Budo (martial way) noemen. We stellen jutsu-vorm tegenover budo-vorm en we vergelijken:  

Bujutsu 

 

Een combattief systeem van vaardigheden ontworpen door en voor krijgslieden ter zelfprotectie en het bevorderen van groepssolidariteit (ontstaan 900 na Chr.). Kenmerken: - centraal staat de zelfprotectie, in wezen defensief - aristocratische organisatie met sociaal-horizontale structuur. Accenten op: - effectiviteit (techniek is doel) - (zelf) discipline - morele vorming. Het bujutsu was zo exclusief gericht op de effectiviteit dat men geen oefeningen met tweetal­len kende. Naast de basishandelingen (kihon) en training van tactische posities (Gamae) trainde men de bewegingen achter elkaar uitvoerend in een solovorm (kata). Daarnaast kende men nog de zogenaamde vaardigheidstests.

Budo 

 

Een ontwikkelde vorm van Bujutsu die met gebruikmaking van dezelfde wapens en trainings­methoden streeft naar zelfrealisatie en zelfperfectie (vanaf 1600 na Chr.).

Kenmerken:

  • centraal staat zelfperfectie

  • opvallend is dat men vindt dat deze alleen door lichamelijke training is te bereiken, niet wedstrijd gericht en niet rationeel

  • de techniek wordt middel

  • sociaal verticale structuur

Accenten op:

  • de mentale vorming

  • de (zelf) discipline

  • de estheti­sche vorm, met aandacht voor houding (hara) en expressie.

De trainingsmethoden blijven dezelfde als bij het Bujutsu: kihon, solo oefeningen (kata) en tests. De katavorm groeit uit tot een expressievorm. Later, na de grote omwenteling die de Meji Reformatie met zich mee­bracht, ontwikkelt zich naast kihon en kata een nieuwe trainingsvorm: "kumite". Het is deze vorm die het later mogelijk zal maken binnen het Karate-do ook wedstrijden te houden.

 

Het was niet zo vreemd dat deze transformatie naar de budovorm kon plaatsvinden, want in Azië - en met name in India, China en Japan - ontwikkelde zich de lichamelijke oefening al veel vroeger dan in Europa tot een lichaamscultuur met een geheel eigen karakter waarvan de leidende gedachten tot op heden bewaard zijn gebleven. Wat deze lichaamscultuur van alle andere in hoge mate doet verschillen is haar niet agonale gerichtheid (agon = wedstrijd) en haar niet rationele instelling. Deze kwaliteiten kenmerken de verschillende traditionele vormen van lichamelijke oefening in India, China en Japan. Terwijl dus de antieke (Griekse) en de moderne sport juist door het wedstrijd idee gekenmerkt worden, zo wordt de oosterse "sport" gekenmerkt door haar vormende waarde.

China

 

In China ontstond er onder invloed van Indiase en Taoïstische monniken, naast heilgymnas­tisch bewegen een gymnastiseren dat varieerde van vrije oefeningen en oefeningen met handgereedschappen (ter training van gelokaliseerde spiergroepen) tot en met strijd- en wapendansen aan toe. Deze enerzijds sterk gymnastische vorm, die anderzijds door het trainen met handgereedschappen en wapens sterk gericht was op de weerbaarheid, is ons bekend geworden onder de naam Kung Fu (=letterlijk: oefening/zich oefenen). Later zou dit Kung Fu alleen heilgymnastisch van aard worden. In deze vorm blijft het dan voortbestaan naast het eruit ontsproten "Boksen".

 

Het Chinees boksen ofwel "Chuan fa" (chuan = vuist, fa = weg/methode) gebruikte de oefeningen van het Kung Fu en richtte zich veel meer op het nut dat de oefeningen hadden voor de zelfverdediging. Ofschoon het boksen wordt genoemd zijn het eigenlijk behendigheidsvormen omdat naast vuist- en voettechnieken er veel oefeningen zijn met zwaard, lans of stok. De boksers zelf spreken niet van boksen, maar van chuan fa of noemen zich exponent van een der vier hoofdsystemen te weten:

  • Tai Chi Chuan

  • Hsingi Chuan

  • Pa Kua Chuan

  • Shaolin Chuan

 

Er moeten meer dan 400 vormen van boksen hebben bestaan. Het werd beoefend door militairen (die in China veel lager stonden aangeschreven dan in Japan), monniken en burgers. Hierdoor zou het zich met deze sociaal verticale structuur en zeer individuele werkwijze geheel anders ontwikkelen en verbreiden dan het ermee te vergelij­ken 'Ju jutsu' uit Japan.

 

We kunnen verder globaal onderscheiden; het interne systeem (nei chia) en het externe systeem (wai chia). De drie eerst genoemde Chuan Fa vormen zijn interne systemen, waarbij het accent valt via de lichamelijke oefening op de training van vooral de wil en de training der geestelijke vaardigheden. Bij het externe systeem valt het accent bij uitstek op de lichamelijke vaardigheden (Shaolin Chuan). Deze externe vorm van Chinees boksen zou via Okinawa later Japan bereiken.

Okinawa

 

Okinawa, het grootste eiland van de Ryukyu eilandengroep, kende al sinds 1470 een verbod op particulier wapenbezit. Nakomelingen van de eerste koning van Okinawa (Shunten) hielden hier ook de hand aan. Er was in deze tijd reeds op brede schaal belangstelling voor weerbaarheids trainingsmethoden.

 

In 1700 kreeg Okinawa een invasie te verduren van een Japans bushi leger van de daimyo van Satsuma en werd verslagen en bezet. Desondanks wilde Okinawa schat­plichtig blijven aan China en werd het importeren van wapens, van welk type dan ook, verboden. Het vervaardigen van zwaarden voor ceremoniële doeleinden werd zelfs stopge­zet (zogenaamd Sword edict uitgevaardigd door Shogun Tokugawa Iemitsu).

 

Het met hernieuw­de kracht uitgevoerde wapenverbod had tot onmiddellijk gevolg dat Chinese Chuan Fa metho­den werden bestudeerd en clandestien beoefend. Langzamerhand namen deze Chinese vormen (via diplomatieke en culturele missies rond de 7e eeuw naar Okinawa overgebracht) invloe­den uit Okinawa over en werden alle gemeenschappelijk 'Okinawa Te' genoemd of 'Tode' of simpelweg 'Te'. Tode (=Chinese hand) kan in de betekenis van Chinees als boksen opgevat worden, ofschoon het reeds honderden jaren eerder voorafgegaan werd door een krijgskunst die eenvoudig weg als 'Ti' bekend stond ( later werd deze term verjapanst tot 'Te', wat handen betekent).

 

Later zou men op Okinawa zelf gaan spreken over 'Shuri-te','Naha-te' en 'Tomari-te', ge­noemd naar een drietal plaatsnamen waar men veel 'Te' beoefende. Deze weinig onthul­lende namen moesten de geheimhouding in stand houden.

 

Overeenkomstig de invloeden uit de diverse Chuan-Fa methoden en overeenkomstig de verschillen in regio en meesters ontwikkel­de het Okinawa-te zich in drie hoofdrichtingen. Te uit Shuri onderging de grootste invloed vanuit het Externe systeem en Te uit Naha ontwikkelde zich grotendeels uit het Interne sys­teem. Te uit Tomari vormde een mengeling van zowel Externe als Interne invloeden. Daardoor is Shuri-te vooral offensief en neigt Naha-te naar het defensieve. Naha-te kent ook vormen waarbij wordt vastgehouden en geworpen, handelingen die in andere originele stijlen niet voorkomen.

 

Alhoewel de Japanse overheersers de vervaardiging en gebruik van wapens rigoureus verboden, slaagden diegenen die het Te ontwikkelden er in om een aantal wapens aan hun systeem toe te voegen. Sommige van deze wapens waren agrarische handgereedschappen die, zonder veel moeite, konden worden gebruikt binnen de mogelijkheden van het Okinawa-te. Het karakter van de ongewapende gevechtsvorm werd hierdoor niet aangetast.

 

De voor­naamste wapens welke gehanteerd werden en nog steeds gebruikt worden onder het Okinawa Kobujutsu zijn:

  • Bo of Kon: een stok waarmee stoot-, slag- en zwaai technieken worden uitge­voerd, echter eveneens weringen, afklemmingen en immobilisatietechnieken

  • Sai: een korte metalen drietand

  • Tonfa: werd oorspronkelijk gebruikt als handvat voor een molensteen

  • Kama: een sikkel die als slag-, stoot-, kap- en snijwapen gebruikt werd

  • Nunchaku: slag- en stootwa­pen, afgeleid van een dorsvlegel.

 

Het omgaan met deze handgereedschappen en het volledig inpassen binnen de mogelijkheden die het kara-te van Okinawa bood, zou deze te vormen van toen af kenmerken.

 

Resumerend zouden we kunnen stellen dat de te vormen zich op hun niveau noodgedwongen ontwikkelden, parallel aan het Bujutsu en Budo in Japan, maar door het ontbreken van grondige doelstellingen en gebrek aan filosofische diepgang en hun beperkte blikveld, zich nimmer zo zouden kunnen ontplooien.

 

Bij het ingaan van de Meji periode in 1868 stonden de Japanse gezagsdragers nog steeds geen enkele ontwikkeling of activiteit op het gebied van Okinawa-te toe. Van 1890 tot 1940 onderging Okinawa een volledige assimilatie met Japan waardoor Judo en Kendo werden geïntroduceerd. De bedoeling daarvan was om de fysieke conditie van de dienstplichtigen te verbeteren. Een oplettende militaire arts merkte op, dat sommige dienstplichtigen een uitstekende fysieke conditie bezaten, hetgeen werd toegeschreven aan de beoefening van Te. Onder de indruk hiervan bekrachtigde de Japanse regering de invoering van Te als lichamelijke opvoeding in het onderwijs van Okinawa (1902).

 

Op Okinawa werd allengs de algemene Benaming 'Te' vervangen door 'Karate jutsu'. Het eerste (kara) ideogram werd gekozen omdat het een synoniem was voor China. Het betekent namelijk 'T ang', naar de gelijknamige dynastie waarin China het boksen dat tot Te zou leiden een hoogtepunt kende. Alhoewel het ideogram werd gelezen als 'To' (zodat To-de(te) jutsu in feite ook een geldende naam was) werd het gewoonlijk in het Japans gelezen als 'Kara'. Bij Kara werd 'te' gevoegd, het originele karakterteken voor 'te' uit Okinawa. Het ideogram jutsu werd gekozen omdat het kunst betekende. Vertaald leverde karate-jutsu op: China-hand-kunst. En hiermee respecteerde men op Okinawa heel knap drie culturen te weten: de Chinese (kara = T'ang = China), hun eigen (Te = hand) en de Japanse (Jutsu =kunst).

J­apan  

 

De Japanners vonden in het karate-jutsu veel dat zij konden gebruiken, bijvoorbeeld voor de training van hun dienstplichtigen die na 1868 voor het eerst in hun geschiedenis niet meer afkomstig waren uit Bushi-families en die toch een gevechtstraining moesten ondergaan. De toenmalige kroonprins woonde in 1921 op Okinawa een demonstratie bij waar hij zo van onder de indruk raakte dat zijn verslag een gedetailleerd rapport aan het ministerie van onderwijs tot stand deed komen. Dit leidde er toe dat er van de kant van het ministerie in 1922 een officieel verzoek kwam om een karate-jutsu expert uit te nodigen.

 

Gishin Funakoshi (1868-1957), on­derwijzer en afkomstig uit de plaats Shuri werd geselecteerd. Hem viel de eer ten deel op grond van het feit dat hij de meest geletterde vertegenwoordiger was van de toenmalige experts van het Okinawa-te, maar er waren genoeg andere nog betere vertegenwoordigers dan hij. Hij was in 1921 al eens een keer in Japan geweest om regeringsvertegenwoordigers en leden van de leidende bujutsu scholen in de Butokukai (national martial art federation) te Kyoto te laten kennismaken met de Okinawa-kunst. Maar pas in 1922 gaf hij voor het eerst karate-jutsu demonstraties in Japan.

 

Funakoshi deed dat op een indrukwekkende manier en aan vele univer­siteiten gaf hij lezingen over de fysieke en geestelijke aspecten van het karate-jutsu. Daarmee bereikte hij een grotendeels intellectueel publiek. Hij redeneerde als volgt: 'Mensen die een studie achter de rug hebben, bezitten in het algemeen wel een ontwikkelde geest maar geen ontwikkeld lichaam' Tijdens zijn demonstraties benadrukte hij het feit dat door karate-jutsu training zelfs een zwak lichaam sterk kon worden en dat een persoon van geringe lichaamsafmetin­gen, zoals hijzelf,een goede gezondheid kon opbouwen en onderhouden door deze training. Dit vond bij dit publiek natuurlijk veel weerklank. Het duurde dan ook niet lang voor hij een groot aantal volgelingen kreeg, die later op hun beurt het karate zouden propage­ren aan hun universiteiten.

 

Funakoshi demon­streerde en gaf ook les aan Jigoro Kano in diens Kodokan judo dojo. Kano had grote interesse en het resultaat kan men terugvinden in de vorm van de diverse 'atemi waza' (aanvallen op vitale punten) in diens judo-systeem en in de oefeningen-reeks die Kano noemde: Seiryoku Zen'yo Kokumin-Taiiku (national physical education based on the principle of maximum efficiency). Omstreeks 1924 had, de met niet aflatende overtuiging werkende Funakoshi, bereikt dat het karate-jutsu werd opgenomen in het leerplan voor de Japanse lichamelijke opvoeding. De Keio universiteit te Tokyo werd de eerste Japanse universiteit die officieel karate invoerde en er een oefenplaats (dojo) voor inricht­te. Echter Funakoshi's positie in Japan zou niet lang meer onbetwist blijven. In 1928 ging Kenwa Mabuni, een andere beroemde Okinawa mee­ster, naar Osaka om zijn stijl te introduceren.

 

Funakoshi, die les had gehad van Yasutsune Itosu, ontwikkelde de Shotokan stijl. Mabuni,leerling van zowel Itosu als van Kanryu Higashionna, ontwikkelde het Shito Ryu (met Naha-te kenmer­ken). Op Okinawa werd Chojun Miyagi, leerling van Higashionna, leider van het karate-jutsu genaamd Goju Ryu.

Bronvermelding: Budo Vademecum, officiële uitgave van Budo Bond Nederland

ONTSTAAN VAN GOJU-RYU KARATE-DO

Kanryo Higashionna (1853-1915)

 

De oorsprong van Goju-Ryu voert ons terug naar een man genaamd Kanryo Higashionna, die leefde van 1853 tot 1915. Hij wordt nog steeds beschouwd als een van de grootste en belangrijkste karate grootmeesters van Okinawa. Hij werd geboren te Nishimura Naha en was de vierde zoon van Kanyo Higashionna. Hoewel Goju Ryu zijn naam dankt aan Chojun Miyagi blijkt het zijn le­raar, Kanryo Higashionna, te zijn geweest die de feitelijke basis voor de stijl legde.

 

Uit de periode van Kanryo Higashionna is weinig op schrift gesteld en er zijn dan ook meerdere versies van zijn levensverhaal, waarbij onder andere onzekerheid bestaat over de jaartal­len. Ge­durende zijn jeugd heeft hij getraind onder leiding van Aragaki Chikudoun Pechin Seis­ho, maar door zijn sterke verlangen om in China het gongfu rechtstreeks te leren, werd hij door Aragaki Sensei geïntroduceerd aan een andere expert in de gevechtskunsten, Kojo Taite ge­naamd. Door hem en een vriend van de familie, Yoshimura Uden Chomei, vertrok hij uiteindelijk in 1868 naar China.

 

Het is zeer aannemelijk dat Kanryo Higashionna de trainingspartner werd van een jonge man met de bijnaam 'Ryuru', beter bekend als Xie Chongxiang. De bijnaam verkreeg hij door zijn enorme talent voor Gongfu (Wushu). Ofschoon hij een jaar ouder was dan Kanryo Hi­gashi­onna werd hij, zo de traditie voorschreef, door Higashionna Sensei 'Ryuruko', grote of oudere broer genoemd. Ko, als achtervoegsel, betekent zoiets als grote of oudere broer.

 

Xie Chongxiang beoefende het White Crane Gongfu, maar combineerde deze met zijn eigen ondervindingen, daar hij ook bekend was met andere gevechtsstijlen en noemde deze, Whooping Crane. Hij zou later in 1883 in Fuzhou een school openen waar hij Quanfa, in het Japans Kempo, zou onderwijzen. Deze Fukien witte kraanvogelstijl vertoont sterke overeenkomsten met een van de stijlen uit de orthodoxe Fukien Shaolinstijl 'Ngo Cho Kun', de vijf voorouder­vuist. Bij deze stijl(en) wordt als basis nog steeds de kata 'Saam Chin' beoefend die qua principe en uitvoe­ring (met open handen) gelijk is aan de kata Sanchin,die de basis vormt van het Goju Ryu. Bo­vendien is de betekenis van beide kata identiek,name­lijk:'Drie Gevechten' of 'Drie Conflic­ten'. Daarnaast zijn er ook overeenkomsten met de technieken uit deze kraanvogelstijl. Daarbij kan nog op een etymologische overeenkomst worden gewezen, namelijk Kaiso Gogen Yama­guchi vermeldt in zijn boek 'Karate,Goju Ryu By The Cat' de invloed van het Chinese Chugo­ku. De afzonderlijke lettergrepen kunnen wijzen op het 'Ngo Cho Kun' = vergelijk Japans 'Chun Go Ku '.

 

Als overeenkomst met het Wing Chun Gongfu, met name de pushing/sticking-hands methode (Chi Sao), is de trainingsmethode Kakie/Kakete kitae uit het Goju-Ryu Karate Do. Over­eenkomsten met de zuidelijke 'Tang Lan' stijl zijn de circulaire blokkerin­gen, zoals b.v. de mawashi uke.

 

Het Tai Chi Chuan besteedt zeer veel aandacht aan een juiste ademhaling, ter begeleiding van bewegingen en ter stimulering van interne organen, hetgeen ook in het Goju ryu Karate-do een belangrijke rol speelt bij de 'Ibuki No Ho' (training van ademhalingsmetho­des). Een ademhalingsmethode die ook ontleend zou kunnen zijn aan het Chigong (Chinees:Chi = Japans:Ki), dit om de vitale (levens-) energie te ontwikkelen die ontspringt vanuit het 'Seika No Itten', het centrum van de hara ( onderbuik), ook wel 'Tanden' genoemd.

 

Of Kanryo Higashi­onna inderdaad in al de genoemde stijlen les heeft gehad zal wellicht een open vraag blij­ven, maar gezien zijn langdurig verblijf in China heeft hij daarvoor ruim­schoots de tijd gehad. In China is het in de krijgstraditie gebruikelijk geweest om een tweedeling te maken in de harde, ofwel externe stijlen,waar de uiterlijke vorm centraal staat en de zachte, ofwel interne stijlen,waar de ontwikkeling van Chi(Ki) centraal staat. Men spreekt ook wel van buiten school (Boeddhistisch) en van binnen school (Taoïstisch), ofwel Wai Chia en Nei Chia.

 

Volgens de bronnen heeft Kanryo Higashionna dus zowel de harde, externe, stijlen alswel de zachte, inter­ne, stijlen beoefend. In de meest genoemde stijl die hij zou hebben beoefend, de Fukien White Crane, zitten zowel harde als zachte principes. Uit voorafgaande valt dus de tegenstel­ling hard-zacht (Go-Ju) af te leiden, hetgeen de basis vormt van het Goju Ryu Karate-do.

Naha Te

 

In 1882 keerde Kanryo Higashionna op Okinawa terug en opende een dojo tegenover de Shimbu Sha in Tondo Naha Shi. Al spoedig ontstond er grote belangstelling voor de specifieke stijl die Higashionna Sensei beoefende en die kenmerkend zou worden voor de havenstad Naha. De stijl zou dan ook 'Naha Te' worden genoemd, dit ter onderscheiding van 'Shuri Te' en 'Tomari Te'. Shuri en Tomari waren twee plaatsjes dicht in de buurt van Naha.

 

Centraal in de training stond de beoefening van Sanchin. Door de zware training had hij een bijzonder goede conditie gekregen en was erg gespierd. Zodoende kreeg hij als bijnaam 'Gyukei' (als een stier). A­ls demonstratie van zijn krachtige Sanchin stond hij toe om te proberen om hem uit de Sanchin-stand te duwen of te trekken met behulp van touwen om de enkels, hetgeen altijd zonder succes was.

 

Naha-Te werd een combinatie van het oorspronkelijke Okinawa-Te met de Chinese vormen. Hij veranderde de open-hand Sanchin in een gesloten vuistvorm (een Go-vorm), hetgeen een toenadering tot het door gesloten vuisten gekenmerkte Okinawa-te betekende. De klassieke kata van het Goju Ryu Karate-do met hun duidelijke Chinese invloeden zijn, uitgezonderd kata Tensho, allen door Kanryo Higashionna in zijn programma van het Naha-te opgenomen.

 

De belangrijkste leerlingen van Higashionna Sensei waren, Chohatsu (Juhatsu) Kyoda, Gusukama Tsunetaka, Shiroma Motoda, Kenwa Mabuni (grondlegger Shito Ryu) en als topleerling Chojun Miyagi die in 1902 onder leiding van hem zou gaan trai­nen. Chojun Miyagi is de grondlegger van het Goju Ryu Karate-do.

 

Chojun Miyagi Sensei (1888-1953)

 

Chojun Miyagi werd geboren in Naha op 25 april 1888. Miyagi Sensei begon zijn studie in karate op 11 jarige leeftijd onder leiding van Kanryo Higashionna Sensei. Onder toezicht van zijn meester trainde hij vele jaren. In mei 1915 vertrok Miyagi Sensei samen met een goede vriend, Gogenki ge­naamd, naar Fuzhou in China om de leraar van Kanryo Higashionna te zoeken. Ze bleven een jaar,maar de leraar van Higashionna Sensei vonden zij niet.

 

Kort na hun terugkomst vanuit Fuzhou stierf Master Kanryo Higashionna. Miyagi Sensei had tijdens zijn verblijf in China onder verschillende meesters getraind. Zo introduceerde hij de open hand kata 'Tensho', welke voor wat betreft standen en functie, gelijk is aan kata 'Sanchin'. Letterlijk betekent Tensho, draaien, roteren van de handpalm, maar ook de achterkant van de pols wordt gebruikt om te blokkeren en te slaan. Tevens introduceerde hij de kata's Gekisai Dai Ichi en Gekisai Dai Ni, met als doel om het karate onder jonge schoolkinderen te populariseren.

 

Miyagi Sensei hechtte grote waarde aan Sanchin-training, hij zei:"Als men Sanchin zijn leven lang zou trainen, er geen reden zou zijn om nog iets anders te leren". Hij veranderde de ademhaling in kata Sanchin van snel inademen, snel uitademen naar een langzame diepe inademing, langzame complete uitademing.

 

In 1929 werd tijdens een karate demonstratie in Ja­pan, onder auspiciën van de 'Dai Nippon Butokukai', aan Jinan Shinzato (Miyagi's beste leerling) gevraagd welke stijl hij vertegenwoordigde. Aangezien Miyagi Sensei zelf niet bij deze demonstratie aanwezig kon zijn, werd Shinzato voor een moeilijke keuze ge­plaatst. Shinzato dacht dat zonder stijlnaam het aanzien van zijn gevechtskunst geschaad zou kunnen worden. Bij zijn terugkomst op Okinawa besprak hij dit voorval met Miyagi Sensei. Deze besloot om zijn gevechtskunst een officiële naam te geven, deels om deze zo beter te kunnen verbreiden, maar ook voor een betere samen­werking met andere stijlorganisaties. Chojun Miyagi Sensei koos voor de naam 'Goju-Ryu', afgeleid van de acht principes van het traditionele 'Kenpo Haku', afkomstig uit een document genaamd “Bubishi”. In 1933 werd de stijl van Chojun Miyagi Sensei officieel geregistreerd als Goju-Ryu bij de 'Japanese Martial Arts Association' (Dai Nippon Butokukai).
Miyagi Sensei heeft veel betekend voor de verbetering van de lesmethodes binnen het Karate Do. Hij stond bekend als een man met een warme persoonlijkheid die leefde volgens de principes van de Martial Arts. Master Miyagi overleed in Okinawa op 8 oktober 1953.